top of page

Open brief voor de simplificatie van de TCO van het Mobiliteitsbudget

Foto van schrijver: Thierry Devresse
Thierry Devresse
34 minuten geleden
6 minuten om te lezen

Open brief aan de federale ministers van Financiën, Werk en Sociale Zaken — met kopie aan de minister van Mobiliteit


Onderwerp: Voorstel tot wetgevende vereenvoudiging van het mobiliteitsbudget — de forfaitaire formule omvormen tot een toekenningsplafond.


Ter attentie van:

Financiën


Wesley De Visscher, directeur van de beleidscel Financiën


Werk

Géraldine Demaret, kabinetsdirecteur, met doorzending aan Jean-François Krenc, adjunct-kabinetsdirecteur bevoegd voor Werk

Sociale Zaken

Evelyne Hens, directeur van de beleidscel, met het verzoek tot doorzending aan de adviseur bevoegd voor het mobiliteitsbudget en de sociale bijdragen

Kopie:

Mobiliteit


Fabien Dethier, kabinetsdirecteur, en Albane de Crombrugghe de Looringhe, adjunct-kabinetsdirecteur Mobiliteit


Geachte mevrouw, geachte heren,


Met deze open brief willen wij uw aandacht vestigen op een gerichte vereenvoudiging van het mobiliteitsbudget: het resultaat van de forfaitaire berekeningsformule omvormen tot een maximaal toekenbaar bedrag, in plaats van een verplicht toe te kennen bedrag.

Wij nodigen u uit om dit voorstel te onderzoeken met de bevoegde diensten van de FOD Financiën, de FOD Sociale Zekerheid en de RSZ.


De forfaitaire formule is eenvoudig, maar veroorzaakt toch een moeilijkheid in de praktijk

De forfaitaire formule voor de berekening van het mobiliteitsbudget is op zichzelf eenvoudig toe te passen. Dat is een belangrijk voordeel tegenover de berekening op basis van werkelijke kosten, waarvoor de onderneming de kosten van de bedrijfswagen over de voorbije vier jaar — of over de volledige gebruiksperiode indien die korter is — in haar boekhouding moet verzamelen.

Waarom stellen wij dan toch een vereenvoudiging voor?

Omdat het probleem niet zozeer bij de berekening ligt, maar bij de verplichting om het resultaat ervan als mobiliteitsbudget toe te kennen.

In onze praktijk stellen wij vast dat een zeer grote meerderheid van de ondernemingen een lager bedrag wil toekennen dan het bedrag dat uit de federale forfaitaire formule voortvloeit. Zij baseren zich daarvoor op interne berekeningen die dichter bij hun werkelijke kosten liggen en/of op berekeningen zoals TCO2.

Die berekeningen zijn complexer en voor een fiscale controleur moeilijker te verifiëren dan één uniforme federale formule.

Volgens onze praktijkervaring ligt de werkelijke kostprijs immers vaak lager dan het forfaitair berekende bedrag. Vanuit het uitgangspunt dat de overstap naar het mobiliteitsbudget voor de werkgever kostenneutraal moet blijven, willen deze ondernemingen vermijden dat de omzetting van een bedrijfswagen in een mobiliteitsbudget tot hogere kosten leidt.

Het gaat er dus niet om een zo hoog mogelijk bedrag onder een fiscaal gunstig regime toe te kennen. De ondernemingen willen juist minder toekennen dan het bedrag dat uit de federale forfaitaire formule voortvloeit: het tegenovergestelde van een aanpak die erop gericht is een budget met een gunstige fiscale en sociale behandeling op te drijven.

Deze behoefte uit de praktijk verdient een duidelijk wettelijk antwoord. Een interne berekening of een verwijzing naar kostenneutraliteit volstaat op zichzelf niet om een afwijking van de geldende berekeningsregels te rechtvaardigen.


Een gerichte oplossing

Onze oplossing is eenvoudig: uitdrukkelijk in de wet bepalen dat, wanneer de werkgever voor de forfaitaire berekeningsmethode kiest, het resultaat van die formule het maximale toekenbare referentiebedrag vormt.

De werkgever zou vervolgens een lager bedrag kunnen toekennen, op voorwaarde dat de wettelijke minima en maxima worden gerespecteerd en de toekenningsregels vooraf worden vastgelegd op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria.

Om de naleving van dit plafond te controleren, zou de fiscale controleur niet langer verschillende interne TCO-berekeningsmethoden moeten reconstrueren. Hij zou de federale forfaitaire formule kunnen toepassen en nagaan of het toegekende bedrag het resultaat ervan niet overschrijdt, naast de controle van de overige wettelijke voorwaarden.


Voordelen voor ondernemingen en controlediensten

Deze aanpak biedt verschillende voordelen:

  • Ondernemingen krijgen een betere beheersing van hun kosten. De onderneming kan vermijden dat de keuze voor de eenvoudige forfaitaire methode automatisch tot een hogere werkgeverskost leidt.

  • De fiscale administratie en de RSZ beschikken over een duidelijk controlekader. Een lager budget betekent dat een kleiner bedrag onder het bijzondere fiscale en sociale regime van het mobiliteitsbudget valt. Het uiteindelijke effect op de overheidsinkomsten hangt uiteraard af van de concrete situatie.

  • De fiscale controleur beschikt over een eenvoudig toetsingsinstrument. Om de naleving van het forfaitaire plafond te controleren, volstaat het om het toegekende bedrag te vergelijken met het resultaat van de federale formule.

  • De wetgever kan een praktisch probleem oplossen met een gerichte aanpassing. De kern van de wijziging is beperkt: de forfaitaire formule wordt een plafond in plaats van een verplicht toe te kennen bedrag. De samenhangende bepalingen moeten vervolgens daarop worden afgestemd.

Een relatief beperkte wijziging kan zo zowel de toepassing van het stelsel door ondernemingen als de controle ervan door de overheid aanzienlijk vereenvoudigen.


Welke bepalingen moeten worden gewijzigd?

Wij stellen de volgende aanpassingen voor:

Bepaling

Voorgestelde wijziging

Wet van 17 maart 2019 — artikel 12, § 1

Een uitdrukkelijke afwijking invoeren: bij toepassing van de forfaitaire methode vormt het resultaat een plafond, niet het verplicht toe te kennen bedrag.

Wet — artikel 12, § 5

De machtiging aan de Koning aanpassen, zodat ze betrekking heeft op de berekening van het forfaitaire plafond en de toepassingsmodaliteiten ervan.

KB van 21 maart 2019 — artikel 7/4

Verduidelijken dat de formule dit plafond bepaalt en dat de werkgever een lager mobiliteitsbudget mag vaststellen.

KB — artikel 7/5

Verduidelijken dat een eventuele persoonlijke bijdrage wordt afgetrokken bij de berekening van het plafond, om een dubbele aftrek te vermijden.

KB — artikel 7/6

Een onderscheid maken tussen de keuze van de methode, die gedurende drie jaar voor alle werknemers geldt, en de regels voor de vaststelling van het toegekende bedrag.

De artikelen 7/4 tot en met 7/6 werden door het KB van 10 september 2023 ingevoegd in het KB van 21 maart 2019. De aanpassingen moeten daarom worden aangebracht in het KB van 2019, zoals gewijzigd.

Een belangrijk aandachtspunt is dat artikel 7/2 niet in zijn geheel mag worden omgevormd tot een plafondregeling. Dat artikel wordt ook gebruikt om de uitgaven binnen pijler 1 te berekenen.

De wijziging moet uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van de formule voor de vaststelling van het mobiliteitsbudget, via de verwijzing in artikel 7/4. Zo wordt vermeden dat onbedoeld ook de behandeling van de autokosten binnen pijler 1 wordt gewijzigd.


Voorstel van wettekst

Als basis voor verdere juridische en wetgevingstechnische uitwerking stellen wij voor om artikel 12, § 1, aan te vullen met de volgende tekst:

In afwijking van het voorgaande lid vormt, wanneer de in paragraaf 5 bedoelde berekeningsmethode op basis van forfaitaire waarden wordt toegepast, het resultaat van die berekening het maximale referentiebedrag voor de vaststelling van het mobiliteitsbudget. De werkgever kan het daadwerkelijk toegekende bedrag vaststellen op een bedrag dat lager is dan of gelijk is aan dit maximale referentiebedrag, met inachtneming van de in paragraaf 4 bepaalde grenzen. De regels voor de vaststelling van het daadwerkelijk toegekende bedrag worden vooraf bepaald op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria en worden aan de werknemer meegedeeld voordat deze voor het mobiliteitsbudget kiest. Het verschil tussen het maximale referentiebedrag en het daadwerkelijk toegekende bedrag maakt geen deel uit van het mobiliteitsbudget en vormt geen aan de werknemer uit te betalen saldo.

Die laatste zin is essentieel. Een niet-toegekend bedrag mag niet worden verward met een toegekend maar niet besteed budget. Alleen het niet-bestede gedeelte van het daadwerkelijk toegekende mobiliteitsbudget kan via pijler 3 worden uitbetaald.


Onze vraag

Wij vragen om deze gerichte aanpassing te onderzoeken en mee te nemen in de reflectie over de verdere ontwikkeling van het wettelijke mobiliteitsbudget.

De forfaitaire formule hoeft niet ingewikkelder te worden. Integendeel: door haar als plafond te gebruiken, kan zij haar rol als eenvoudig, transparant en controleerbaar referentie-instrument beter vervullen.


Laten we de eenvoudige federale formule behouden, ondernemingen de mogelijkheid bieden om binnen dat plafond een kostenneutraal budget toe te kennen en de controlediensten een duidelijke toetsingsbasis geven.

Wij staan ter beschikking om onze praktijkervaring en dit voorstel verder toe te lichten.


Wie is MMBB bv:

MMBB bv is gespecialiseerd in de begeleiding van ondernemingen en het operationele beheer van het wettelijke mobiliteitsbudget in België. In samenwerking met Olympus Mobility begeleiden wij ongeveer 1

0.000 begunstigden en meer dan 550 ondernemingen, wat overeenkomt met ongeveer 50% van de gebruikers van het mobiliteitsbudget. Onze expertise omvat het opstellen van mobiliteitsbeleid, de berekening van budgetten, de controle van uitgaven en het beheer van terugbetalingen. Dankzij deze dagelijkse ervaring kunnen wij de wettelijke regels toetsen aan hun concrete toepassing, de moeilijkheden identificeren waarmee werkgevers en werknemers worden geconfronteerd en verbeteringen voorstellen die op de praktijk zijn gebaseerd. Onze aanpak is erop gericht rechtszekerheid, administratieve eenvoud en de doelstelling van duurzame mobiliteit van het stelsel met elkaar te verzoenen.


Opmerkingen


bottom of page